nieuws06 - Hortus ter Saksen

Ga naar de inhoud
Programma
Een dag in Hemelrijk en Merksplas

Verslag van de daguitstap van Hortus ter Saksen, zondag 9 augustus 2026
Met een volle bus vertrokken wij om half negen aan Ter Vesten, richting de noordrand van de provincie.
De ontvangst aan de Kiekenhoeve
Aan de Kiekenhoeve stond de tafel gedekt voor onze koffie. De Kiekenhoeve zelf is al een verhaal. Zij dateert van 1767 en is de enige overgebleven van een dertigtal pachthoeven die de abdij van Tongerlo in Essen bezat en hoorde dus ook bij Hemelrijk.
Onze gidsen, Marleen Van Nooten en Rob Kuypers, stonden ons op te wachten. Wij werden in twee groepen gesplitst, de ene vertrok met Marleen Van Nooten, de andere met Rob Kuypers, en al snel waren we op weg het arboretum in.
Alles wat u hieronder over Hemelrijk leest, heb ik van Marleen Van Nooten, ze woonde als kind aan de overkant van de Moerkantsebaan en kwam hier elke zondag wandelen, ze heeft het domein en de aanplantingen zien veranderen.
Waarom alles hier zo recht ligt
Het eerste wat opvalt aan dit landschap zijn de kaarsrechte wegen, grachten en dreven. Dat patroon is ouder dan het park en ouder dan het kasteel.
Deze streek behoorde eeuwenlang aan de abdij van Tongerlo, die de heerlijkheid Essen-Kalmthout van circa 1100 tot aan de Franse Revolutie in handen had. De rijkdom van de streek was turf. Om turf te winnen moet je water aflaten, om het te vervoeren moet je water opzetten. Vandaar die rechte, diepe grachten, met dijkwegen ernaast waarlangs de turfvlotten werden
getrokken, richting Nederland. Van de middeleeuwen tot midden zeventiende eeuw ging dat door. Toen was de turf op, de vennen van de Kalmthoutse Heide zijn er het gevolg van. Daarna werd het landbouw en bosbouw, en na de Franse Revolutie kwam het bezit in handen van industriëlen. Zij bouwden er een kasteel, dat in 1970 is afgebroken. De bijgebouwen, het
rentmeestershuis uit circa 1850 en enkele oude hoeves staan er nog. Toen dat grote domein van vierhonderd hectare in 1960 na een erfenis verkocht en verkaveld werd, kwam er een lot van honderdzeven hectare vrij. En dat is waar dit verhaal een ander verhaal kruist.
Een Sloveense op de fiets
De broers Georges en Robert de Belder, diamanthandelaars in de Pelikaanstraat in Antwerpen, hadden in 1952 een verwaarloosde kwekerij in Kalmthout gekocht. Dat werd Arboretum Kalmthout.
Over hoe Jelena Kovačič daar terechtkwam, doet een verhaal de ronde. Marleen Van Nooten bevestigde dat het inderdaad zo gegaan is. Jelena behaalde in 1951 haar diploma van landbouwingenieur in Zagreb en werkte daarna in kwekerijen in Denemarken, Duitsland en Nederland. Op 21 juli 1954 fietste zij naar die oude kwekerij in Kalmthout, op zoek naar één boom: een Stewartia pseudocamellia, de camelliaboom, waarover zij gelezen had. Zij klom over de omheining, en trof er niet alleen die boom aan maar ook de gebroeders de Belder. Niet zolang daarna trouwde zij met Robert. Die gegevens komen van Arboretum Kalmthout zelf. Toen Kalmthout met zijn twaalf hectare te klein werd, kochten zij in 1961 dat vrijgekomen lot in Essen. Er stond toen nog geen enkele verzameling: wat landbouw, eikenhakhout en mastenbos op arme zandgrond.
Wat zij ervan maakten
Het is opgebouwd in ongeveer veertig jaar, met hulp van twee tuinarchitecten: eerst de Nederlander John Bergmans, later de Engelsman Russell Page, een vriend van het gezin. De grote vijver werd uitgediept en kreeg bewust een niervorm: een gebogen lijn binnen de strakke structuur van de rechte dreven. Page werkte met zichtbepalende punten. Bij de ommuurde tuin is dat de zomereik waarvan je de kroon overal boven ziet uitkomen. En de kleur loopt door: het rood van de baksteen van de muurtuin keert terug in een rode beuk verderop. Zij verzamelden niet alleen. Zij zaaiden vooral zelf, volgden kiemplanten op, kozen de mooiste uit en selecteerden. Bij toverhazelaar duurt het tien tot vijftien jaar voor je weet wat je hebt. Er werd hier niet streng geschift: de planten kregen tijd, en wat twijfelachtig was ging eerst naar wat zij het ziekenhuis noemden, om nog een kans te krijgen. Daar komen de bekendste namen uit voort. Hamamelis x intermedia 'Jelena', de koperoranje toverhazelaar, en 'Diane', karmijnrood, in 1969 genoemd naar hun dochter.
Drie verhalen die bijbleven
De pluimhortensia. In Kalmthout stond een Hydrangea paniculata 'Floribunda' met een mooi evenwicht tussen de echte bloempjes en de grote steriele lokbloemen. Jelena oogstte er zaad van en zaaide het uit. Op een ochtend had een vogel het zaaibed omgewoeld en stond er nog één kiemplantje recht. Dat ene is vertroeteld, bleek uitzonderlijk mooi, en werd 'Unique'.
Daaruit is een hele reeks gegroeid, tot vijf generaties ver. De eerste staan er nog, geplant in de jaren zeventig, maar de recentere generaties konden we ook zien.
De boom van het dakterras.
Toen Jelena in 1954 definitief naar België kwam, wou zij één zaailing meenemen: een Koelreuteria paniculata, de lampionboom. Die vroeg beschutting, dus stond hij eerst in de kwekerij in Kalmthout, daarna op het dakterras van het kantoor in Antwerpen. In 1985 klaagden de bewoners eronder dat het binnenregende: de wortels waren door het dak gegroeid. De boom verhuisde toen voorlopig naar Essen. Hij staat er nog altijd,
scheef in het patroon, want de tuin is er nadien rond getekend. De lampionboom (Koelreuteria paniculata), de zaailing die Jelena de Belder meebracht uit haar land van herkomst.
Het zakdoekje. Op een plantenbeurs zag Jelena een kruising van Rhododendron cinnabarinum in bloei. Zij rook eraan en kreeg stuifmeel op haar neus. Robert zei dat zij zich moest afvegen. Zij deed dat met een zakdoekje, en hield dat bij. Terug thuis bracht zij dat stuifmeel over op een verwante rododendron, volgde de vruchtzetting op, zaaide en kweekte. Enkele van die kinderen zijn geregistreerd, onder meer onder de namen Arthur Grumiaux en prinses Esmeralda.
Bijna zevenhonderd bomen
Hemelrijk is opgenomen in BELTREES, de databank van bijzondere bomen van de Belgische Dendrologische Vereniging. Onder de naam Hemelrijk staan er ongeveer 700 geregistreerde bomen, met metingen tot 2025. De dikste zijn een Canadapopulier van meer dan vijf meter omtrek, drie beuken van rond de vijf meter, en een mammoetboom van vier en een halve meter. Toch is de collectie zelf niet beschermd. De gebouwen wel, maar verkavelen kan niet. Bescherming van de planten kan niet: hiervoor geldt dat zij te jong zijn: men is hier pas in de jaren zestig beginnen verzamelen.
Vandaag
Robert stierf in 1995, Jelena in 2003. De twee kinderen wonen er nu, Diane en Daniel. Daniel heeft een hobby: houtbewerken. Hij zaagt stammen van omgewaaide bomen tot planken en legt die eerst enkele jaren in het water. Wat daaruit voortkomt, staat in het park: prachtige houten tafels en banken, kunstig gemaakt van de bomen die gevallen zijn. Er wordt niet meer veredeld. Er worden dus geen nieuwe kruisingen en selecties meer gemaakt. Wat nu telt, is bewaren wat er staat: onderhouden, opvolgen, en de collectie door vele jaren loodsen. Dat laatste is geen kleinigheid. De droogte laat zich hier overal zien. De bomen hebben het zichtbaar lastig, en van heel wat exemplaren vraag je je af of zij het gaan halen. Dat is wellicht
het meest indringende beeld van de hele dag: een verzameling van veertig jaar geduldig werk, die nu vooral beschermd moet worden tegen het weer, want zeg nu zelf, wat is 40 jaar voor een boom?
Na de middag: De Kleine Boerderij in Merksplas
Na de broodjeslunch verwelkomden Armand en Jan Hendrickx ons in Plantentuin De Kleine Boerderij. Ook hier werd de groep in twee gesplitst. Wat u hieronder leest, heb ik van Armand. Deze tuin is jong en toch al rijk. Sinds 2007 is de oude schoolboerderij van de kolonie een collectietuin, het levenswerk van plantenkweker Jan Oprins en het botanisch testament van
botanicus Harry van Trier. Jan Hendrickx, botanicus en tuinarchitect, bouwt de tuin sinds 2016 verder uit. Hij heeft de hele aanplant in zijn hoofd. De heidetuin uit 2020 telt 4.400 planten, één voor één met een schopje gepoot. De tuin drijft nog altijd op de familie Oprins: Jan, en zijn zoon Wout, die zich er mee voor inzet, samen met een hele ploeg vrijwilligers.
Wat verder bleef hangen:
  • Het veld met duizenden Afrikaanse lelies (Agapanthus), de collectie van Jan Oprins, die hier hun blad verliezen en daardoor winterhard zijn. Er staan bijna zwarte selecties tussen, met namen als 'Velvet Night' en 'Black Magic'.
  • De Indische sering (Lagerstroemia), geschreven met een o maar uitgesproken met een eu. Haar stam schilfert af, en hoe ouder de boom, hoe mooier dat wordt. De Indische sering (Lagerstroemia), die de huidige warme zomers goed verdraagt en massaal bloeit.
                                                                                
  • De zevenzonenboom (Heptacodium miconioides), die pas in september wit bloeit, waarna de kelken roze kleuren zodat het lijkt alsof hij een tweede keer bloeit. Juist door dat late tijdstip is hij goud waard voor de bijen.
  • De koekjesboom (Cercidiphyllum), die volgens onze gids naar een Pareinkoekje ruikt.
  • De gele kornoelje 'Jolico' (Cornus mas), een Oostenrijkse selectie met vruchten van bijna zes gram tegenover twee gram bij de wilde vorm, zoet genoeg om zo van de struik te eten.
  • De ginkgo's, waarvan de gesnoeide exemplaren met de hand geknipt worden, want een machine snijdt door het blad.
  • De monnikspeper (Vitex agnus-castus), die zijn naam dankt aan het oude geloof dat hij de lusten temperde, en die daarom in kloostertuinen stond.
  • En een kunstwerk in de vorm van een kooi. De uitleg erbij: die kooi is de aarde, wij zitten erin, en van binnenuit lijkt de kosmos eindig. Door een opening kun je eruit, en dan blijkt hij oneindig.
De rozentuin is trouwens één grote proeftuin. Kwekers zetten er hun nieuwe rozen, die drie jaar lang vier keer per jaar gekeurd worden op gezondheid, aantal bloemen, schoonheid, geur, en of de uitgebloeide bloemen vanzelf afvallen. Wie slaagt, komt op de markt met het label Excellence.
En dan het bezoekerscentrum
Om vijf uur zijn wij nog kort naar Bezoekerscentrum Kolonie 5-7 gegaan, in de oude varkensstal
van de Grote Hoeve.
Merksplas-Kolonie werd gesticht in 1824, als laatste van de zeven landbouwkolonies waarmee men de armoede wou bestrijden. Wortel was de vrije kolonie, Merksplas de onvrije: hier zat men opgesloten en werd men aan het werk gezet. Vanaf 1870 stuurden rechters landlopers hierheen, en op piekmomenten verbleven hier duizenden mensen. De Koloniën van Weldadigheid staan sinds 2021 op de werelderfgoedlijst van UNESCO. En daar sluit de cirkel. De tuin waar wij die namiddag rondliepen, was de tuinbouwschool van deze kolonie, waar veroordeelden veeteelt, bijenteelt, tuinbouw en boomkwekerij leerden. De Kleine Boerderij is letterlijk een overblijfsel van dit verleden, dat nu een nieuwe invulling kreeg. Een halfuur is voor dit alles veel te kort, beschouw het als een voorproefje. Zowel De Kleine Boerderij als de kolonies van Merksplas en Wortel zijn het meer dan waard om er op een dag opnieuw naartoe te trekken ...
Carol,
10 augustus 2026

Adres:
Hortus ter Saksen VZW
Hof ter Saksendreef 3B
B-9120 Beveren-Kruibeke-Zwijndrecht
GSM: 0472/77 37 47
E-mail: info@hortus-ter-saksen.be

Ondernemingsnummer 0459.239.768
BTW nummer BE 0459239768
Rekeningnummers
educatie BE86 1030 5638 4350
tuincafetaria BE57 7330 7033 5235
Volg ons op sociale media
Terug naar de inhoud